Governance and Global Affairs Blog

Praktische lessen voor coproducerende burgers én overheden

Praktische lessen voor coproducerende burgers én overheden

Burgers en overheidsprofessionals werken steeds vaker samen in het publieke dienstverleningsproces. Maar hoe ervaren zij die samenwerking? En hoe kan de samenwerking verbeterd worden? Mijn proefschrift biedt enkele antwoorden.

Burgers die besluiten het gemeentelijke zwembad te gaan runnen om zo sluiting te voorkomen. Buurtbewoners die de eigen wijk leefbaar en veilig maken via (digitale) buurtpreventie. Vrijwilligers die hulpbehoevenden zorg aanbieden via een zorgcorporatie. Of kwetsbare jongeren die door buddy’s geholpen worden bij het opbouwen van een zekere toekomst. In onze huidige samenleving spelen burgers op allerlei manieren een rol in het publieke dienstverleningsproces. Toch verloopt die samenwerking tussen burgers en overheidsprofessionals niet altijd zonder slag of stoot. De praktische lessen die uit mijn onlangs verdedigde proefschrift volgen, kunnen eraan bijdragen die samenwerking soepeler te laten verlopen.

Te weinig oog voor het individu

Hoewel we in de jaren 80 al de eerste verwijzingen zien naar het idee van coproductie van publieke diensten, beleeft het vooral sinds het laatste decennium een ware comeback. De groeiende populariteit – zowel in het (normatieve) maatschappelijke/politieke debat als de wetenschappelijke literatuur – wordt mede gedreven door de toenemende druk op de overheidsfinanciën en sociale uitdagingen als de vergrijzing. Veel publieke diensten worden zodoende afhankelijk van burgerinput en de veronderstelde (maar zeker niet allemaal bewezen!) effecten zijn positief (o.a. betere diensten, versterking van sociale netwerken en een verbeterd welzijn). Daarom is het belangrijk om het coproductieproces beter te begrijpen. Waarom raken coproducerende burgers bijvoorbeeld soms teleurgesteld? En waarom maken overheidsprofessionals de omschakeling naar de nieuwe werkwijze niet altijd even gemakkelijk?

In mijn proefschrift stel ik dat binnen de coproductieliteratuur geen antwoord werd geboden op deze vragen, onder meer doordat binnen die literatuur te weinig aandacht bestond voor de individuen binnen het coproductieproces. En bij de schaarse studies over burgers/professionals die wel bestonden, werd ook slechts gekeken naar één van deze partijen in plaats van naar de interactie tussen beiden. Om dat gat in de literatuur te helpen opvullen, richtte mijn proefschrift zich op de volgende onderzoeksvraag: Wat zijn de motivaties van individuele burgers en publieke professionals om zich betrokken te voelen bij de coproductie van publieke diensten, en hoe zijn wederzijdse opvattingen over de betrokkenheid van de coproducerende partner van invloed op de samenwerking? In dit blog gaat het te ver om een volledig antwoord te bieden op deze onderzoeksvraag; daarvoor verwijs ik u graag door naar de digitale versie. Wel wil ik hier enkele praktische lessen bespreken, in de hoop de samenwerking tussen burger en overheid te verbeteren.

Les 1: Begrijp en wees ervan bewust dat coproducenten geen eenduidige groep vormen

De eerste les is hoewel op het oog niet spannend, wellicht de belangrijkste les voor publieke organisaties. Het werkt door in het ontwerp van coproductieprocessen en de communicatie met potentiële coproducenten. Dé coproducerende burger bestaat niet. In plaats daarvan worden verschillende groepen coproducenten gekenmerkt door hun eigen motivaties en opvattingen over hun rol ten opzichte van de overheidsprofessional. Maatwerk in het samenwerkingsproces is daarmee cruciaal. Denk bijvoorbeeld na over de hoeveelheid feedback die je terugkoppelt over wat met de burgerinput is gedaan of over hoeveel ruimte tijdens het coproductieproces bestaat voor persoonlijke ontwikkeling van de coproducenten.

Les 2: Wees ervan doordrongen dat participatie aan coproductie leidt tot bepaalde verwachtingen aan de zijde van de coproducerende partner

Door coproductie krijgen burger en overheidsprofessional een andere rol in het dienstverleningsproces en dat neemt bepaalde verplichtingen en verwachtingen met zich mee voor beide actoren. Burgers moeten bijvoorbeeld over de juiste informatie kunnen beschikken en dat betekent dat overheidsprofessionals bereid moeten zijn om deze (op een toegankelijke wijze) te delen. Coproductie betekent dus niet dat overheden zich terug kunnen trekken uit het dienstverleningsproces omdat ‘de burger het wel overneemt’. Die burger heeft professionele ondersteuning nodig; om te weten hoe de taken uit te voeren, voor legitimering van de geproduceerde diensten en om gemotiveerd te blijven. Publieke organisaties en de professionals werkzaam in die organisaties zullen in het coproductieproces moeten investeren. Het is daarom belangrijk dat zij zich – vooraf – afvragen of zij aan de verwachtingen kunnen (blijven) voldoen.

Les 3: De betrokkenheid van individuele professionals is cruciaal in het coproductieproces, maar kan niet als vanzelfsprekend worden beschouwd

De bovenstaande les toont al hoe belangrijk de professionele betrokkenheid in het coproductieproces is. Uit mijn proefschrift volgt verder dat de percepties van zowel burgers als professionals over de betrokkenheid van hun coproducerende partner doorwerken in de inspanningen die zij zelf bereid zijn te leveren. Oprechte betrokkenheid is cruciaal om een coproducerende relatie op te bouwen en over de tijd heen te continueren. Maar die oprechte betrokkenheid van professionals ontstaat niet vanzelf. Zij worden vaak ‘verplicht’ om deel te nemen, maar daarmee zijn ze niet automatisch ook overtuigd van de toegevoegde waarde van de samenwerking of stellen zich gelijk open op jegens de coproducenten. De betrokkenheid van professionals vraagt een investering van die professionals zelf en van de publieke organisatie. Zo kunnen formele regels en richtlijnen de professional ondersteunen bij het coproduceren en daarmee bijdragen aan een betrokken houding. Echter, wanneer professionals teveel regeldruk in het coproductieproces ervaren, werkt dit juist negatief door. Een open organisatiecultuur kan eveneens een positieve bijdrage leveren. Dat laatste betekent bijvoorbeeld dat professionals betrokken worden bij het besluit om al dan niet bepaalde diensten te gaan coproduceren of dat ervaringen uit het samenwerkingsproces met collega’s of leidinggevenden kunnen worden gedeeld.

Wanneer burgers besluiten om bij te dragen aan de publieke dienstverlening via bijvoorbeeld een buurtpreventieteam of cliëntenraad in een zorginstelling, stelt dit zowel die burgers als de publieke professionals voor nieuwe uitdagingen. De bovenstaande lessen bieden een inkijkje in de onderzoeksbevindingen van mijn proefschrift en kunnen eraan bijdragen dat burgers en overheid elkaar beter begrijpen en zo op een goede manier kunnen samenwerken.

Ben je geïnteresseerd in de verdere onderzoeksbevindingen van mijn proefschrift én alumnus van het Instituut Bestuurskunde van de Universiteit Leiden? Meld je dan nu aan voor de alumni-lezing op 20 februari 2018. Naast een lezing over mijn promotieonderzoek zal ook Menno Spaan, oprichter en directeur van Haagse Beek organisatieadvies, vanuit zijn praktijkervaring vertellen over hoe gemeenten omgaan met burgerparticipatie.

Add a Comment

Name (required)

E-mail (required)

Your own avatar? Go to www.gravatar.com

Remember me
Notify me by e-mail about comments