Governance and Global Affairs Blog

‘Hij vindt ons te eigenwijs’

‘Hij vindt ons te eigenwijs’

Het belang van autonomie & wetenschappelijk onderzoek voor de betrouwbaarheid van Nederlands denktankadvies

Ouderenpartij 50Plus raakte eind augustus 2018 opnieuw in opspraak vanwege onenigheid binnen de gelederen. Het bestuur verbrak de banden met het wetenschappelijk bureau van 50Plus, de aan de partij gelieerde denktank. Elke politieke partij kan subsidie ontvangen om dit type denktank op te zetten. Volgens de voorzitter van de denktank, Richard de Mulder, probeert het partijbestuur zich te ontdoen van de kritische toon uit de onderzoeken en rapporten. ‘Lariekoek’, volgens het partijbestuur. Desalniettemin is Mulder bang dat deze crisis de reputatie van de partij verder zal aantasten[1]. De uitkomst van mijn scriptieonderzoek naar de mate waarin verschillende typen denktanks als betrouwbaar ervaren worden rechtvaardigt deze angst.

Denktanks van uiteenlopende origine drukken in toenemende mate hun stempel op het politieke landschap – ook in Nederland. Dit is mede te verklaren door de doorgaande externalisering van beleidsadvies die zich o.a. in Nederland voordoet (zie: Van den Berg, 2017[2]). Dit proces van externalisering biedt denktanks de mogelijkheid om de Nederlandse beleidsvorming essentieel te beïnvloeden. Maar wat wordt er eigenlijk met de term ‘denktanks’ bedoeld? En zijn deze instanties betrouwbaar genoeg om zich met ons nationale beleid te bemoeien? Immers, als denktanks als onbetrouwbaar worden ervaren kan hun inmeninging onbedoeld het beleidsproces delegitimeren.

Sommige denktanks hebben een indrukwekkende staat van dienst, zoals het in Den Haag gevestigde Clingendael Instituut. Deze denktank publiceert al 35 jaar toonaangevend onderzoek op het gebied van internationale betrekking. Echter, één van Nederlands jongste politieke partijen – het Forum voor Democratie – begon ook ooit als een denktank voor rechtsgeoriënteerde jeugd. Gek genoeg worden beide bovenstaande voorbeelden onder de noemer ‘denktank’ geschaard, zonder hier al te veel onderscheid in aan te brengen. De (spaarzame) literatuur in het denktankgenre spreekt dikwijls van denktanks in de context van meerdere politieke actoren, zoals NGO’s of lobbygroepen, die stuk voor stuk hun eigen stempel op het beleidsproces proberen te drukken. Het gevaar is hier dat we uitgaan van een generalisatie van de categorie ‘denktank’, zonder oog te hebben voor belangrijke verschillen tussen denktanks.

De meest gebruikelijke typering verdeelt denktanks in drie categorieën:

  • Academische denktanks (wetenschapsbureaus): autonome instellingen met als hoofddoel het produceren en publiceren van wetenschappelijk onderzoek.
  • Semi-academische denktanks (overheidsinstellingen, bijv. planbureaus): door de overheid ingestelde denktanks voor het leveren van wetenschappelijk onderbouwd advies.
  • Niet-academische denktanks (bijv. belangenorganisaties): niet-autonome organisaties met als hoofddoel het verspreiden en bevorderen van een specifiek idee/belang.

Het zal de oplettende lezer niet ontgaan zijn dat de bovenstaande typering onderscheid aanbrengt op basis van twee criteria: autonomie en wetenschappelijke expertise. Deze twee criteria hangen ook met elkaar samen: autonomie staat immers aan de grondslag van gedegen wetenschappelijk onderzoek. Herhaalde enquêtes uitgevoerd door het Rathenau Instituut hebben reeds aangetoond dat de wetenschap betrouwbaarder geacht wordt dan andere maatschappelijke instellingen, zoals overheid, Tweede Kamer, media, of het rechtssysteem (Tiemeijer & De Jonge, 2013). Dit wekt de verwachting dat het advies van de meer wetenschappelijke en onafhankelijke academische denktanks als betrouwbaarder zal worden ervaren in vergelijking met hun niet-academische tegenhangers. Logisch, zou men zeggen. Toch wordt het onderscheid tussen verschillende typen denktanks nog te weinig gemaakt in de literatuur en bestaat er amper empirisch onderzoek naar deze verschillen  en hun potentiële implicaties.

Voor mijn masterscriptie zette ik een survey experiment op onder 121 studenten van diverse studierichtingen aan de Universiteit Leiden. Elke student kreeg automatisch één van de vier scenario’s voorgeschoteld. In elk scenario werd de situatie beschreven van een onbenoemde minister van transport die op basis van een bepaald type beleidsadvies besloot zijn begrotingsoverschot te besteden aan de verbetering van snelwegverlichting. Het is onwaarschijnlijk dat een dergelijke beslissing zelf als controversieel ervaren wordt, hierdoor kunnen we ongestoord inzoomen op het effect van het type beleidsadvies. Het beleidsadvies in de verschillende scenario’s werd geleverd door het ministerie zelf, een academische denktank, een semi-academische denktank, of een niet-academische denktank.

Uit het onderzoek bleek dat het advies van zowel academische en semi-academische denktanks als significant betrouwbaarder werd ervaren dan het advies van een overheidsministerie of niet-academische denktank. Daarnaast bleek uit een regressieanalyse dat er een significant verband aanwezig was tussen de mate van autonomie en wetenschappelijke expertise en de mate van betrouwbaarheid die de respondenten de denktanks/het ministerie toeschreven. Hoe hoger zij de autonomie en wetenschappelijke expertise inschatten, hoe betrouwbaarder het advies van de leverende instantie.

Wat betekenen deze uitkomsten voor de denktankwereld? Allereerst bevestigt het onderzoek dat het wel degelijk verstandig is om onderscheid te maken tussen typen denktanks: er zijn belangrijke organisatieverschillen die een reëel onderling verschil in betrouwbaarheid tot gevolg hebben. Het is voor bestuurlijke organen daarom raadzaam eerst na te gaan met wat voor type denktank ze te maken hebben voordat ze hun advies overnemen. Daarnaast onthulde het onderzoek ook wat dit verschil in betrouwbaarheid veroorzaakt: een hoger niveau van autonomie en wetenschappelijke expertise. Mogelijk heeft deze bevinding implicaties buiten de denktankwereld zelf. Als politiek gemotiveerde instellingen, bijvoorbeeld NGO’s, zich betrouwbaar willen opstellen kunnen zij dit bereiken door denktanks te volgen: door een stevige voet in de wetenschap.

Als laatste levert mijn scriptieonderzoek nog een concrete aanbeveling op voor 50Plus: gun het wetenschapsbureau wat eigenwijsheid, het kan de betrouwbaarheid van de partij uiteindelijk ten goede komen.

Gebaseerd op de scriptie van Mechteld Visser (2018): “Trust me, I’m a think tank: A survey experiment on the trustworthiness of think tank advice in the Netherlands”. MSc Public Administration, Universiteit Leiden: Faculty Governance and Global Affairs.

Begeleiders: Dr. Valérie Pattyn & Dr. Bert Fraussen

 

[2] Van den Berg, C.F. (2017). Dynamics in the Dutch policy advisory system: Externalization, politicization and the legacy of pillarization. Policy Sciences, 50, 63-84.

 

Add a Comment

Name (required)

E-mail (required)

Your own avatar? Go to www.gravatar.com

Remember me
Notify me by e-mail about comments